Verkiezingen en energie

Iedereen groen, groener, groenst? Zo komt het bij mij een beetje over als je de verschillende verkiezingsprogramma's voor de federale verkiezingen leest. Hierbij gaat uiteraard de meeste aandacht naar de verschillende ideeën over kernenergie, maar de partijen hebben ook oog voor meer rationeel energiegebruik en het bevorderen van hernieuwbare energiebronnen.

Zo pleit Open VLD in haar "Vier wegen naar een CO2-arme samenleving" onder ander voor "gedecentraliseerde energieproductie, die kiest voor het gebruik van hernieuwbare bronnen zoals waterkracht, aardwarmte, zonne- en windenergie, bio-massa of waterstof" en voor "ecologische (ver)nieuwbouw aanmoedigen via derdepartijfinanciering, passiefhuizen, energie-efficiënte renovatie en dynamische productnormen".

Ook Groen! stelt:

"Het gaat niet om één alternatief, maar om een mix van kleinschalig inzetbare systemen van energiebesparing, energieefficiëntie en energievernieuwing: passiefhuizen, hoogwaardige isolatie en ventilatie, kleinschalige windturbines en waterkrachtsystemen, zonneboilers en –panelen, warmtepompen, voertuigen op zuiver plantaardige olie, kleinschalige systemen om afval(water), mest, slib te verwerken,... "

Rationeel energiegebruik, hernieuwbare energiebronnen als thema van de federale verkiezingen?

Artikel 6, § 1, VII, van de Bijzondere Wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen is nochtans vrij duidelijk.

Enkel de gewesten zijn bevoegd voor "de nieuwe energiebronnen met uitzondering van deze die verband houden met de kernenergie" en "het rationeel energieverbruik".

De productie van energie is weliswaar een bevoegdheid die omwille van de technische en economische ondeelbaarheid voor het hele land eenzelfde behandeling behoeft en dus onder de federale overheid valt, maar volgens Dr. Deridder komt de bevoegdheid inzake productie van energie de federale overheid toe in de mate dat ze een nationale relevantie heeft. Een exclusief federale bevoegdheid over àlle vormen van energieproductie lijkt in tegenspraak te zijn met artikel 6, § 1, VII, BWHI. Uit de parlementaire voorbereiding bij de bijzondere wet van 8 augustus 1988 blijkt trouwens dat de installaties of ondernemingen die op accessoire manier energie produceren niet onder de federale wetgeving inzake “productie van elektriciteit” onderworpen zijn. Een dergelijke “productie” heeft immers geen invloed op de nationale energiebevoorrading (Arbitragehof, nr. 54/88, 24 mei 1988, A.1.2).