Verwarring over verjaring van energiefacturen voltooid verleden tijd?

De federale regering stelt in het wetsontwerp van 16 januari 2017 houdende vereenvoudiging, harmonisering, informatisering en modernisering van bepalingen van burgerlijk recht en van burgerlijk procesrecht alsook van het notariaat, en houdende diverse bepalingen inzake justitie een uniforme regeling voor de verjaring van energiefacturen voor. Als de Kamer het wetsontwerp aanneemt, zullen energiefacturen verjaren vijf jaar na de datum van de factuur.

Ik besprak de verjaringsproblematiek al in mijn bijdrage in het Jaarboek Energierecht 2014.

Op basis van artikel 2277 BW verjaren vorderingen voor “al hetgeen betaalbaar is bij het jaar of bij kortere termijnen” door verloop van vijf jaren.

Deze verkorte verjaringstermijn wil schuldenaren beschermen tegen de opeenstapeling van periodieke schulden en schuldeisers aanzetten tot zorgvuldigheid. Volgens preliberaliseringsrechtsleer en -rechtspraak kon deze vijfjarige termijn nooit van toepassing zijn op schulden ten aanzien van elektriciteits- en gasintercommunales. Het Grondwettelijk Hof sprak zich in 2005 en 2007 anders uit. Het Hof van Cassatie volgde uiteindelijk het Grondwettelijk Hof in zijn arrest van 25 januari 2010.

Na de arresten van het Grondwettelijk Hof aanvaardde men dus dat periodieke schulden voor water, elektriciteit, aardgas of telecommunicatie verjaren na verloop van vijf jaren (artikel 2277 BW). Die schulden zijn periodiek terugkerende schulden, die hun oorsprong vinden in eenzelfde rechtsgrond (bv. telefoonabonnement of leveringsovereenkomst voor elektriciteit of aardgas).

Dit algemene begrip was gebaseerd op een selectieve lezing van het arrest van het Grondwettelijk Hof van 2007. In dit arrest besliste het Hof dat dat de verkorte verjaringstermijn van artikel 2272, lid 2, BW niet van toepassing is voor leveringen van diensten, zoals telecommunicatiediensten, “omdat in de regel van de overeenkomst voor dergelijke leveringen een geschrift wordt opgesteld”. Door in deze passage vooral te willen lezen dat artikel 2272 BW niet geldt voor leveringen van diensten omdat hiervoor in de regel een geschrift bestaat, meenden velen dat bij elektriciteit en aardgas, waar men ook een onderliggende leveringsovereenkomst heeft, het artikel eveneens niet van toepassing is.

De korte, kwijtende eenjarige verjaringstermijn van artikel 2272, lid 2, BW steunt op een vermoeden van contante betaling van kleine schuldvorderingen die in principe niet schriftelijk worden afgehandeld. Dit herhaalde ook het Grondwettelijk Hof in zijn arrest van 20 juni 2007: “De korte verjaringstermijn is gebaseerd op een vermoeden van betaling en wordt gemotiveerd door het feit dat van het ontstaan en de kwijting van dergelijke schulden doorgaans geen geschrift wordt opgesteld.” De toepassing van artikel 2272 ev. als betalingsvermoedens staat en valt dus met het wegblijven van geschreven sporen (mede) van de schuldenaar, zowel van het ontstaan als van het tenietgaan der geldschuld.

Als de schuldenaar de schuld erkent in een geschreven stuk geldt de éénjarige verjaringstermijn niet. Een afbetalingsplan, een brief, een verklaring,... zijn stukken die de verkorte verjaring vermijden. Een mondelinge of stilzwijgende erkenning vanwege de schuldenaar volstaat niet.

In zijn arrest van 8 januari 2015 besliste het Hof van Cassatie dat een middel dat steunt op de veronderstelling dat een vordering door een elektriciteitsleverancier op een consument voor de periodieke levering van elektriciteit maar kan verjaren bij toepassing van artikel 2277 BW, omdat die levering gebaseerd is op een leveringsovereenkomst en omdat er facturen worden opgesteld, ‘faalt in rechte’:

“Le moyen, qui soutient que l'action du fournisseur d'énergie contre le consommateur en paiement de fournitures périodiques d'électricité est toujours régie par l'article 2277 du Code civil, parce que, en règle générale, une preuve écrite est établie du contrat relatif à ces fournitures et que des factures sont adressées par le fournisseur au consommateur, manque en droit.”

Het arrest van 8 januari 2015 stelde volgens mij dat het feit dat er een leveringsovereenkomst is niet voldoende is voor de uitsluiting van de verkorte verjaringstermijn noch voor de toepassing van artikel 2274, lid 2, BW. Genuanceerder interpreteerde ik het arrest dat het feit dat er een leveringscontract of facturen voorhanden zijn er nog niet automatisch toe leidt dat enkel artikel 2277 BW van toepassing is.

Het arrest leidde tot heel wat controverse in de rechtsleer. Ook de rechtspraak reageerde verdeeld. De meeste commentatoren riepen wel op om de wetgeving te verduidelijken en de archaïsche bepalingen te actualiseren.

De regering doet dit met dit wetsontwerp. Met dit ontwerp wil de regering reageren op het feit dat er “vanuit een bepaalde hoek evenwel gepleit wordt voor de toepassing van de eenjarige verjaringstermijn van artikel 2272, tweede zinsdeel, van het Burgerlijk Wetboek op de vorderingen tot betaling van facturen voor levering van energie aan huishoudelijke klanten”. De lezing in die “bepaalde hoek” doet “niet alleen onduidelijkheid, maar tevens een aantal praktische problemen, eigen aan deze sector [ontstaan]”. Het arrest leidt tot “problemen”. Het probleem ligt hem dus niet in de achterhaalde wetgeving, maar in de interpretatie van een problematisch arrest door een aantal zonderlingen.

In de commentaar bij het voorgestelde artikel is de regering genuanceerder en objectiever.

Het wetsontwerp beoogt de invoering van een tweede lid bij artikel 2277 BW: “Schuldvorderingen wegens levering van goederen en diensten via distributienetten voor water, gas of elektriciteit of de levering van elektronische communicatiediensten, omroeptransmissie- en omroepdiensten via elektronisch communicatienetwerken verjaren na verloop van vijf jaren.”

Volgens de memorie van toelichting start de verjaringstermijn van vijf jaar vanaf de vervaldatum van de factuur. De regering verwijst hiervoor naar artikel 2257 van het Burgerlijk Wetboek.






Lees u in

Geschreven inzichten