Grondwettelijk Hof bevestigt tariefbevoegdheid federale overheid

In zijn arrest van 13 november 2013 bevestigt het Grondwettelijk Hof haar eerdere rechtspraak dat de federale overheid bevoegd is inzake energietarieven.

Artikel 13 van het decreet van 13 juli 2012 houdende wijziging van het Energiedecreet van 8 mei 2009 wat betreft de milieuvriendelijke energieproductie bepaalde een regeling inzake de maximale doorrekening van de kosten gerelateerd aan de verplichtingen inzake groene stroom en warmtekrachtkoppeling. Als de kosten expliciet vermeld worden op de factuur mag het bedrag niet hoger zijn dan het plafond dat door de VREG in het kader van haar bevoegdheden jaarlijks wordt berekend.

De Federatie van Belgische Elektriciteits- en Gasbedrijven hadden een vernietigingsberoep ingediend tegen deze bepalingen van het decreet van 13 juli 2012 omdat de de Elektriciteitswet in artikel 20quater eveneens de doorrekening van kosten gerelateerd aan de verplichtingen inzake groene stroom en warmtekrachtkoppeling regelt, zij het op een andere wijze.

Door de leveranciers toe te staan 'maximaal' de door hen daadwerkelijk gemaakte kosten door te rekenen aan de eindgebruiker wordt de de prijs aan de eindgebruiker beïnvloed en grijpt de decreetgever aldus in in de tariefstructuur, wat op grond van artikel 6, §1, VII, d) een bevoegdheid is voorbehouden aan de federale overheid.

Daarnaast stelt het Hof dat de aangelegenheid zich niet leent tot een gedifferentieerde regeling en dat de weerslag niet marginaal is zodat de decreetgever ook niet op grond van artikel 10 van de BWHI toegelaten is te legifereren.

Het Hof stelt vast de federale en Vlaamse regeling belangrijke verschilpunten vertoont. Daarnaast treedt de federale overheid op om misbruiken te bestrijden die erin bestaan om marges te creëren, wat volgens het Hof geen maatregel is om groenestroomproductie te bevorderen, maar een bevoegdheid is in het raam van haar bevoegdheid inzake de energietarieven.

Het vernietigde artikel voegde een artikel 7.1.15 in in het Energiedecreet. Dat artikel werd echter bij decreet van 28 juni 2013 gewijzigd zonder evenwel te raken aan de kern van het artikel. Het artikel werd voornamelijk verduidelijkt hoe de door de VREG vastgestelde plafondprijs moest vastgesteld worden, met name, dat de plafondprijs moet gehanteerd worden voor de aanrekening van de elektriciteit afgenomen gedurende de periode die aanvangt na de publicatie van het jaarlijkse rapport. Ook werd een alinea toegevoegd welke plafondprijs een nieuwe leverancier (voor wie nog geen plafondprijs gepubliceerd werd) moet toepassen, namelijk maximaal de bandingdeler.

Op zich bestaat de bestreden regeling dus nog steeds omdat ze alsnog ingevoegd werd door een later decreet waarvan de vernietiging (voor zover we konden nagaan) niet gevraagd werd voor het Grondwettelijk Hof.

Vraag is hoe de Vlaamse decreetgever zal omgaan met het vernietigingsarrest en zelf proactief de vernietigde, maar nog steeds bestaande, regeling uit het Energiedecreet zal verwijderen. Bij gebrek aan optreden van de Vlaamse decreetgever kan de ontstane 'rechtsonzekerheid' alsnog weggewerkt worden middels een nieuwe vernietigingsberoep aangezien de termijn nog niet verstreken is. Het is dan aan de verslaggevers van het Grondwettelijk Hof om te oordelen of de aard van zaak of de relatieve eenvoud van de opgeworpen problemen aanleiding zou kunnen geven om de zaak af te handelen met een arrest van onmiddellijk antwoord wat de procedure erg zou verkorten.