Steekvlampolitiek

Begin vorige week beschuldigde minister Van den Bossche een groot aantal elektriciteitsleveranciers ervan te 'liegen'. Volgens een studie van de VREG zouden ze aan hun klanten 125 euro aangerekend hebben per groenestroomcertificaat dat ze jaarlijks moeten inleveren, terwijl de werkelijke kostprijs van zo'n certificaat met 103 euro een stuk lager zou liggen. Dezelfde dag vroeg een federaal parlementslid aan minister Van Quickenborne, bevoegd voor mededinging, om een onderzoek te openen naar mogelijke prijsafspraken onder de energieleveranciers. De minister van ondernemen ging daar direct op in en gaf de mededingingsautoriteiten een onderzoeksopdracht. De daaropvolgende donderdag vielen inspecteurs van de dienst mededinging binnen bij leveranciers.

De nationale regulator CREG was er als de kippen bij om “zich solidair te tonen met de actie die vandaag gevoerd wordt door de Algemene Directie Mededinging bij de leveranciers van elektriciteit inzake een problematiek die niet alleen in Vlaanderen bestaat, maar die België in zijn geheel raakt”. De CREG zou in vijf studies de bevoegde overheden 'gewaarschuwd' en 'op de hoogte gebracht' hebben dat een aantal leveranciers de boeteprijs doorrekenen en niet de marktprijs.

Een week later publiceerde de VREG haar studie. Die is heel wat genuanceerder dat wat de dame en heren politici, met de CREG in hun kielzog, lieten uitschijnen. In de studie wordt inderdaad vastgesteld dat veel leveranciers een 'premie' of een 'marge' aanrekenen aan hun klanten. Tegelijk stelt de VREG vast dat de leveranciers “geen structurele 'marge' [kunnen] heffen op hun groene bijdrage, zonder dit ofwel te compenseren op hun zuivere energieprijs, ofwel een concurrentieel nadeel op te lopen”. Nog volgens de VREG wijst “het feit dat veel elektriciteitsleveranciers een 'premie' binnen de kost van de certificaatverplichting kunnen doorrekenen, erop dat de energiemarkt (nog) niet volledig transparant is en nog niet volledig concurrentieel werkt”. “Het gaat dus om een probleem van (gebrek aan) transparantie en van vermelding van kosten, eerder dan om een probleem van onterechte kostenaanrekening”, besluit de VREG.

Nergens in de studie van de VREG staat enige indicatie naar mogelijke mededingingsbeperkende afspraken tussen de verschillende leveranciers over de waardering die zij plakken op de verplichting tot het inleveren van groenestroomcertificaten. Overigens heeft ook de CREG nooit aangegeven dat de onderzochte praktijk juridisch laakbaar zou zijn. Indien ze anticompetitief gedrag zou hebben vastgesteld, had ze dit zeker gemeld aan de minister en de Raad voor de Mededinging en had ze voorstellen gedaan om de marktwerking te verbeteren, zelfs als ze niet territoriaal bevoegd zou zijn. Zij kwam enkel prima facie tot gelijkaardige vaststellingen als de VREG.

Uiteraard moeten politici, en de minister voor ondernemen in de eerste plaats, wantoestanden laten onderzoeken en liefst nog tijdig (laten) remediëren. Maar zulke politieke initiatieven mogen niet op basis van steekvlammetjes, zonder kennis en kunde van het dossier en van de studie van de bevoegde regulatoren, genomen worden. De snelheid waarmee de mededingsautoriteiten nu te werk moesten gaan leidt bijna overal tot ongenoegen. Een aantal klanten melden zich misnoegd bij hun leveranciers. Die leveranciers moeten veel werk steken aan de afhandeling van de inval, de communicatie daarover en het verbeteren van hun waarschijnlijk onterecht beklad imago. De regulatoren kunnen enkel machteloos toekijken dat de studies waarin zij veel werk steken voor de zoveelste keer niet gelezen worden. Alleen advocaten lijken er nog wel bij te varen.

Het komt nu aan onze mededingingsautoriteiten toe om na te gaan of er, ondanks het feit dat de VREG dit nergens vermeldt noch insinueert, mededingingsbeperkende afspraken rond de doorrekening van de groenestroomcertificaten geweest zijn. De resultaten zullen we hopelijk sneller kennen dan die van enkele andere onderzoeken die zij de afgelopen jaren gestart zijn in de energiesector. De kans dat er inbreuken waren, lijkt mij ook eerder beperkt. Men kan zich de vraag stellen of het vanuit economisch oogpunt misschien niet normaal is dat de leveranciers de boeteprijs doorrekenen als kostprijs voor de groenestroomcertificaten. De opportuniteitskost van zulk certificaat is toch juist die boeteprijs. Leveren ze te weinig certificaten in (omdat ze verkiezen om hun certificaten op de markt te verkopen), is dat toch de decretaal vastgelegde prijs die ze moeten betalen?

Zie hierover trouwens ook de gelijkaardige opmerkingen van André Jurres op zijn blog.