Verhoging distributienettarieven

Het persbericht van de CREG van 12 oktober 2007, "Gevoelige stijging van de nettarieven onvermijdelijk", heeft aanleiding gegeven tot debatten in de Kamer en in het Vlaams Parlement.

De hoofdreden voor de gevoelige stijging van de nettarieven is volgens de CREG dat zij, ten gevolge van een arrest van het Hof van Beroep van Brussel, niet langer over de regelgevende bevoegdheid beschikt inzake het opleggen van afschrijvingspercentages. Zij moet verder “de boekhoudkundige gegevnes als hoeksteen van de tarifering aanvaarden” en kan, voor wat betreft aardgas, “geen redelijkheidstoets meer uitvoeren voor kosten die door een bevoegde overheid zijn opgelegd”.

In de Kamercommissie voor het Bedrijfsleven werd minister Verwilghen hierover ondervraagd door de oppositie in lopende zaken.

De minister-advocaat stelde eerst en vooral dat het koninklijk besluit van 2002, dat door het hof van beroep van Brussel terzijde zou zijn geschoven, geschreven werd door zijn voorganger, Olivier Deleuze. Verder weerlegde hij de beschuldigingen dat hij aan de basis zou liggen van het kortwieken van de CREG door de wet van 2005 ("À l’époque, j’ai fait une proposition qui n’a pas été suivie. J’ignore pourquoi; je n’ai d’ailleurs pas reçu de réponse exacte mais cela ne m’étonnerait pas que les intercommunales soient intervenues à un moment donné, en invoquant de nombreux problèmes à ce sujet. Toujours est-il que nous n’avons pas pu poursuivre ce débat").

Volgens de minister is de enige oplossing voor het probleem een wetgevend initiatief:

"Selon moi, s’il faut remédier à la situation, la loi devra probablement être modifiée, d’autant plus que la cour d’appel dit qu’il est impossible de le faire par le biais d’un arrêté royal. Il faudra dès lors envisager un changement de la loi, au moyen d’une proposition de loi si c’est urgent et d’un projet de loi pour que la CREG puisse à nouveau donner son feu vert à certaines demandes tarifaires qui se répercuteront sur le consommateur final."

Ook in het Vlaams Parlement was het persbericht van de CREG aanleiding tot enige discussie.

Vlaams volksvertegenwoordiger Decaluwé vond bijvoorbeeld dat de CREG “in de afgelopen weken uit haar rol [is] gevallen” omdat ze “commentaar en suggesties bij de federale regeringsvorming [had]”. Volgens Decaluwé “is [het] niet aan de commissie om politieke uitspraken te doen”. Het probleem is volgens hem dat er “tussen de CREG en de netbeheerders al jaren een juridische strijd [woedt]”.

In haar antwoord op de vele vragen merkte minister Crevits eerst op “dat we met een moeilijk institutioneel kader worden geconfronteerd” omdat “Vlaanderen niet bevoegd is voor de energietarieven in het algemeen en voor de aardgas- en elektriciteitsdistributietarieven in het bijzonder”. Bovendien beschikt Vlaanderen volgens de minister “niet over de nodige kennis of gegevens om de feitelijkheid en de redelijkheid van de verrekening van de kosten in de tarieven te beoordelen”. De minister heeft “dus wel cijfers, maar de beoordeling is een andere zaak”.

Verder stelt zij vast dat de distributietarieven gemiddeld 15 percent vertegenwoordigen van de elektriciteitsfactuur:


“De openbaredienstverplichtingen vertegenwoordigen 13 percent van de 15 percent distributiekosten. (…) Dit betekent dit dat de openbaredienstverplichtingen gemiddeld 2 percent van de elektriciteitsfactuur vertegenwoordigen. De helft van die 2 percent gaat naar de gratis kilowattuur die afhankelijk van verbruik en gezinssamenstelling eigenlijk ook terugvloeit naar de gezinnen. Een vijfde van die 2 percent vloeit terug naar de gezinnen onder de vorm van energiebesparingspremies en scans. Iets minder dan 10 percent gaat naar de openbare verlichting. Iets minder dan 20 percent gaat naar de budgetmeters en de niet-betaalde elektriciteitsrekeningen. Als men het uitrekent op 100, gaat het over 0,4 percent.”

Minister Crevits stelde verder:


"Met betrekking tot die openbaredienstverplichtingen zelf wil ik wel opmerken dat het niet de taak is van de federale overheid of de federale regulator, maar wel die van het Vlaams Parlement en ook de Vlaamse Regering om uit te maken of en hoe sociale en ecologische maatregelen worden genomen. In een tijd van klimaatveranderingen zou een pleidooi voor het terugschroeven van energiebesparingsmaatregelen terecht op ongeloof worden onthaald. Het in twijfel trekken van het nut van of de nood aan sociale openbaredienstverleningen zou op een dag als vandaag – Werelddag van Verzet tegen Extreme Armoede – getuigen van een bizar cynisme.

Ik ben bereid om alle ernstige voorstellen om de kosten van de openbaredienstverplichtingen te beperken, in overweging te nemen. Ik ben niet bereid om de fluctuerende distributieprijzen als dekmantel te gebruiken om de openbaredienstverplichtingen die het Vlaams Parlement en de Vlaamse Regering hebben opgelegd, af te bouwen. Als we die openbaredienstverplichtingen willen terugschroeven, dan moeten we ons in eerste instantie afvragen waarom ze zijn ingevoerd. Wanneer dat is gebeurd op basis van ecologische of sociale parameters, dan kunnen de verplichtingen enkel worden teruggeschroefd als blijkt dat de maatregel inefficiënt is voor het ecologische of sociale doel dat deze voor ogen had."